Amsterdam - Den Oever
Schagen - Buitenpost
Buitenpost - Emmen
Emmen - Oldenzaal Oldenzaal - Didam
Didam - Steyl
Venlo - Eijsden
Eijsden - Weert
Weert - Roosendaal
Roosendaal - Vlissingen
Vlissingen - Amsterdam
fietsverhalen • langs de grens met Paul Vreuls • 2004 km fietsavontuur in elf etappes

Als ik buiten ook nog een tuinkabouter zie, weet ik
het zeker: zelfs het klooster is niet meer
wat het geweest is
negende etappe: van weert naar roosendaal
  BRABANT
VIJFTIG
JAAR LATER
 
  Reizen is ontmoeten, zeggen ze wel eens. Nou, mooi niet. Want mensen hebben het druk of ze zitten achter de televisie of ze gaan naar sport – laatst sprak ik iemand die elke avond de gym bezoekt, zeven dagen per week! Dus de kans dat je iemand onderweg tegenkomt, is niet zo groot.

Al dat vlees
Daarom is het met des te meer genoegen dat ik u presenteer: gesprekken met een monnik, een gewezen smokkelaar en een boer in ruste. En wat vertelden de drie, onafhankelijk van elkaar? Dat Brabant veranderd is, enorm veranderd. Ja, dank je de koekoek, zult u zeggen maar het blijft toch wonderlijk te horen dat de één in zijn jeugd nog met paard en wagen reed en de ander op dit moment de gevolgen van de globalisering voelt: het varkensvlees doet niks meer omdat Japan de import van Deens varkensvlees heeft verboden waardoor al dat vlees op de Europese markt moet worden afgezet. Tja, daar woon je dan, tegen de grens met België, je van geen kwaad bewust en toch het slachtoffer.

Bielzen Mien
Er was meer ellende onderweg en ook nog een slag in het wiel en rulle zandpaden waarover het onmogelijk rijden was. Maar toch was het weer heerlijk fietsen, deze negende etappe in de Ronde van Nederland, van Weert naar Roosendaal. Behalve interessante ontmoetingen was er de kennismaking met de tuinen van Mien Ruys – Bielzen Mien maar daarmee doen we haar schromelijk te kort. En halverwege wachtte het mooie Hilvarenbeek, met zijn Vrijthof en museum De Doornboom waar dokter Scheidelaar een boekje opendoet over een dorpspraktijk in het begin van de vorige eeuw. En wat schrijft hij? Dat er toen nog heksen waren! Slot van het verhaal: de Bleeke Heide te Chaam. En daar kraait de victorie maar daarover straks.

Plompverloren op de grond
Een doorsnee zondag in september. Op mijn weg langs de grens van Budel naar Achterste Brug blijven een paar beelden haken. Zo gaat de Sint Barbaraweg te Budel-Dorplein (de officiële schrijfwijze want ooit woonde er een familie Dor naar wie een plein is vernoemd) de boeken in vanwege de eigentijdse fontein die ik er zag – een marmeren bol van niet noemenswaardige afmeting, plompverloren op de grond geplaatst, waarover wezenloos wat water loopt. Een totaal zinloos geval waarmee de tuincentra ons land menen te moeten verblijden. Foei! Ook gezien: een paar mensen die tussen de akkers door een zondagmiddagwandeling maken. Mooi!

Eigenlijk had ik toen af moeten slaan, ook de akkers in, want wat zich de daaropvolgende kilometers aan mij openbaart, zou je gerust een apocalyptisch visioen kunnen noemen ware het niet dat het op sommige dagen al werkelijkheid is geworden. Wat ik bedoel, is de enorme vlucht die het recreatief fietsen heeft genomen – hoe mooi ook het rijwielpad langs de grens richting klooster, richting Achelse Kluis, het genot wordt volledig overheerst door ons, door de mens, door zijn massale voorkomen. Het wordt nog erger bij de kluis zelf – ooit een oord van afzondering, nu voorzien van restaurant en brouwerij en ik zag zelfs een huifkar.

Ook nog een tuinkabouter
Als ik, na mij door de rijen wachtenden voor een appelgebakje te hebben doorgeworsteld, de expositieruimte bereik (zeker gaan zien, die tentoonstelling over de kluis), kom ik zowaar een pater tegen, pater Titus. Bijna met medelijden vraag ik hem of-ie het niet wat druk vindt?
‘Dat valt wel mee’, zegt hij opgeruimd. ‘In het seizoen komen hier nog veel meer mensen.’
‘Maar’, zeg ik, ‘een klooster is er toch voor de rust, de stilte, de contemplatie?’
‘Die vind ik toch wel, in mijzelf. En om vijf uur keer ik terug binnen de muren van het klooster waar buitenstaanders niet mogen komen. Dus het valt allemaal nog wel mee.’ Helemaal bevredigend vind ik zijn antwoord niet en als ik op weg naar buiten ook nog een tuinkabouter zie, weet ik het zeker: nee, zelfs het klooster is niet meer wat het geweest is. Om pas kilometers verderop mezelf te corrigeren. ‘Kijk, vroeger verdienden de kloosterlingen de kost via landbouw en veeteelt. Dat is allemaal stukken moeilijker geworden en nu doen ze het op een meer eigentijdse manier, via inkomsten uit toerisme. Daar is helemaal niks mis mee.’ ‘Akkoord. Maar mag ik het wel een beetje jammer vinden?’

Naast de wei
De nacht doorgebracht in een langgevelboerderij – met dank aan de buurman die zijn tweede huis vrijwillig ter beschikking stelde. En dat niet alleen, hij brengt me ook in contact met Ad Rijkers en met Ad heb ik mijn eerste echte smokkelaar te pakken, gewezen smokkelaar dan want het speelde zich allemaal af in en kort na de oorlog toen Ad, inmiddels 69, nog een jonge avonturier was. ‘Spannend? Jazeker was het spannend’, vertelt hij in zijn woonhuis aan de Hoeverdijk in Achterste Brug, een gehucht van niets maar wel met een paar magnifieke boerderijen en een schuur die zo uit een schilderij van Brueghel kan zijn gestapt. En dan komen de verhalen.
Over de Belgen die iedere keer met dezelfde smoes kwamen – ‘De shag nat?, zeiden ze dan. Dat komt, die is in het water gevallen toen we voor de commiezen moesten vluchten. Onzin natuurlijk. Ze maakten de shag alleen maar nat om hem zwaarder te maken. Konden ze er meer voor vangen.’ Over die keer dat de commiezen naast de wei met koeien bleven slapen – de koeien die die nacht eigenlijk de grens over naar België hadden moeten worden gesmokkeld maar dat ging nu natuurlijk niet door. Over Gielke Govers, ‘da was ‘ne beruchte’ en over die keer dat er ’s nachts op de deur werd gebonsd – ‘De politie. Huiszoeking. Gingen ze er met de shag vandoor. Nooit meer iets van gehoord. Dat komt, het was helemaal geen politie. Het waren oplichters.’ En dan, verrassend: ‘Smokkelen crimineel? Nee nee, ieder smokkelde voor zijn eigen behoud, ja, ook Gielke.’ Dacht ik het niet. De Kempen, de Brabantse zandgronden, die stonden tot diep in de vorige eeuw voor armoede en een dun belegde boterham.

Donkergroene vuilnisbak
Omdat ik toch in de buurt ben, breng ik de volgende dag een saluut aan Bergeyk, bekend van Radio Bergeyk (‘En dan volgen nu de dagelijkse gierberichten’) en het Automuseum – onder het mom: onderzoekt alles en behoudt het goede. Maar dat museum zal ik nooit bereiken want in het begin van het dorp word ik afgeleid door een bordje dat me attendeert op hetgeen de architect Gerrit Rietveld hier heeft achtergelaten. Gerrit Rietveld? Hier? Jazeker en nog wel in drievoud, met een openbare klok en een abri – waarom, zo vraag ik me af, heeft de dienst Openbare Werken er een donkergroene vuilnisbak voor gehangen, staat van geen kanten – en het gebouw van Weverij De Ploeg. Vooral het laatste maakt indruk, met zijn schaaldak, zijn coulissengevel en de entree en, zeker niet te vergeten, de omgeving waarin het staat.

Zo mooi
Die omgeving is vormgegeven door Mien Ruys – de landschaps- en tuinarchitecte die de biels in de Nederlandse tuin introduceerde en daaraan haar bijnaam dankt. Maar intussen kon deze dame er wat van, sterker, het vooroordeel dat ik had – de tuinen van Mien Ruys, bestaat er iets truttigers? – slaat om in het tegendeel, pure bewondering. Zo mooi wat zij daar heeft gemaakt, diep in de provincie, zo helder, met strakke lijnen in de vorm van snoeihagen die enerzijds de ruimte begrenzen, anderzijds ruimte scheppen. Met een groepje solitaire bomen, met fraaie doorkijkjes en, jawel, nu eens een fontein die er toe doet, waarover is nagedacht, die betekenis heeft – water dat boven uit een bron komt, zich over verschillende paden, lees levenspaden, verdeelt en weer wordt verenigd aan de onderkant, lees in de dood. Echt prachtig en ik ben helemaal gelukkig als ik weer richting grens fiets. De tuinen van Mien Ruys – top!

Net een stofzuiger
De rest van de dag druk doende om te Hilvarenbeek te geraken, een fijne opdracht want de tocht voert voornamelijk door het buitengebied dat hier bestaat uit bossen, enorme bossen, afgewisseld met wat landbouwgronden. Wel gemerkt dat mijn bandjes net te dun zijn voor veel zandpaden – ik rij de bovenlaag stuk en waar ik hem niet stuk rij, is hij vaak al stuk vanwege de tractoren die er met hun groteske silagewagens overheen daveren – het is maïstijd. Tijdens een korte pauze aan de Kapelweg tot de ontdekking gekomen dat het al drie uur is en ik ben nog niet op de helft. Dat wordt nog afzien, broeder Vreuls. Kachel vervolgens als een dolle door, passeer de Abdij van Postel waar zich liefst twee frituren voor de deur hebben genesteld dus het toerisme heeft ook hier toegeslagen en zet bij de Reuselse Moeren koers richting noorden, richting Landgoed De Utrecht. Heb onderweg nog wel tijd om die ene bosspitsmuis op te merken die mijn weg kruist – net een stofzuiger, zo sjouwt-ie met zijn snuit over de grond.

Een gouden greep
Als ik tegen zevenen Hilvarenbeek binnenstuif, verkeert het Vrijthof in diepe rust. Mooi plein, mooie linden en bij herberg St. Petrus serveren ze werkelijk een kostelijk bordje. Maar waar slaap ik vannacht? De herberg zit vol en dat andere hotel ook, dus opnieuw een beroep gedaan op Vrienden van de Fiets – een gouden greep want Jan en Jo van den Broek bewonen tegenwoordig weliswaar een villa maar zijn van huis uit boeren. En zij vertellen mij hoe het was en is geworden – een levensverhaal dat exemplarisch mag heten voor dat van veel boeren op de arme Brabantse zandgronden. Het is het verhaal van de intensivering van de landbouw – toen Jan, inmiddels 73 jaar oud, begon, had-ie een bedrijf met achttien melkkoeien en honderd mestvarkens. Veertig jaar later zou dat zijn uitgegroeid tot twee bedrijven met in totaal honderd melkkoeien en duizend mestvarkens, respectievelijk een vervijfvoudiging en een vertienvoudiging van het oorspronkelijke aantal!
De andere kant. Op zijn zestigste moest Jan er acuut mee stoppen - ‘Te hard gewerkt, jao, dao liek ’t wel op.’ En met de intensivering van de landbouw verdween de gezelligheid. ‘Ik herinner me nog, dan fietste ik met de melkkannen naar de wei en dan zat dáár een boer en daar een boer en daar … allemaal aan het melken en intussen praatte je wat met elkaar. Of je reed met paard en wagen en ja, dan moest dat paard natuurlijk rusten en dan stond er altijd wel een andere boer met paard en wagen, ook te rusten. Er was veel meer contact.’ Maar arm was het wel, probeer ik waarop Jan zegt: ‘Je had toen ook niet meer geld nodig. Want er was geen radio, geen tv, geen auto.’ Met andere woorden, er was nog niet zoiets als de consumptiemaatschappij waarvoor we nu allemaal kromliggen.

Op muziekles
Denk nou niet dat het gesprek met Jan en Jo in mineur verliep, zo van: vroeger was alles beter. Welnee, Jan herinnert zich het fietstochtje met zijn vrouw (‘Dat deden we vroeger nooit’) en Jo ziet in de wasmachine ‘het grootste wonder van de mensheid’. Weliswaar vindt ook Jo dat ‘wij altijd gewerkt hebben’ maar ze heeft nog energie voor twee, wat heet, ‘ik spring nog over een driejarige heg’, waarop Jan zegt: ‘Maar dan wel een die net geknipt is.’ Mooiste herinnering? Als Jo – ze zit tegenwoordig op muziekles – mij op haar nieuwe keyboard laat horen wat ze zoal geleerd heeft. ‘t Was aan de Costa del Sol – tingelingeling – Daar sloeg m’n hartje op hol – tingelingeling.’

Geen koe in de wei
Vanaf Hilvarenbeek ben ik nog twee dagen onderweg, twee dagen waarin de bossen langzaam maar zeker plaatsmaken voor cultuurgronden, in de greep van diezelfde intensieve landbouw. Dat leid ik af uit de wolken kippen- respectievelijk varkenslucht die af en toe de neusgaten prikkelen. Maar te zien krijg je die beesten niet, laat staan de koeien die ook al bij voorkeur binnen worden gehouden. Echt jammer, het landschap verarmt er zo door en hoe is het voor die beesten? Ook voor het eerst gehoord: dat boeren per hectare maïs meer dan 300 euro subsidie krijgen – logisch dat het Nederlandse platteland eruitziet als een monocultuur. Zeker als je bedenkt dat die maïs vooral zo handig is omdat je dan bij wijze van spreken onbeperkt mest kunt uitrijden. Dan ben je wel gek om een mooi veldje haver in te zaaien, of rogge of gerst.

Wat ik zeg
Was het daarmee vervelend fietsen? Welnee, en af en toe passeerden ook aangename verrassingen zoals de beekdalen van Poppelse Leij en Het Merkske, respectievelijk ten oosten en ten zuidwesten van Baarle-Nassau. Maar de grootste verrassing wachtte toch wel in Chaam. Daar word ik opgewacht door de oprichter/voorzitter van de natuurvereniging Mark en Leij, Johan Schaerlaeckens, die mij voorgaat naar de Bleeke Heide. En daar heeft zich volgens velen een wonder voltrokken, het wonder van de terugkeer van wat verloren was gegaan, van grutto en tureluur, van kemphaan en kluut en nog zowat soorten van de Rode Lijst. Gevolg van het feit dat de Bleeke Heide mede op aandringen van Mark en Leij weer is teruggebracht tot wat het oorspronkelijk was, een drassig land. ‘Daar’, wijst Johan, een zoon van deze streek, ‘daar zag ik toen dat toernooiveldje met die kemphanen. De rillingen liepen me over de rug.’ Kan ik me voorstellen, Johan, en wat ik zeg: de victorie begint in Chaam.

meer over etappe 9: kaartje en route informatie



 
   
Etappe 9:
Weert - Roosendaal
 
© copyright 2004